Spiegeltijd
16521
page-template-default,page,page-id-16521,bridge-core-3.0.5,_masterslider,_ms_version_3.8.1,qode-quick-links-1.0,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-theme-ver-29.1,qode-theme-bridge,wpb-js-composer js-comp-ver-6.9.0,vc_responsive,elementor-default,elementor-kit-15908,elementor-page elementor-page-16521
 

SPIEGELTIJD

Ik had altijd gedacht dat het in de herfst zou gebeuren. Geen idee waarom. Gewoon een onderbuikgevoel dat soms opspeelde. Als een duveltje uit een doosje sprong het tevoorschijn op onverwachte momenten. Het zou gebeuren op een nacht in oktober, wanneer er geen blad meer aan de bomen hing en de regen met bakken uit de lucht viel.

Waarschijnlijk een gedachte die was ingekleurd door wat ik in films had gezien. Daar gebeurde het altijd op een regenachtige nacht, ergens in het najaar. Iemand lag in bed naar het plafond te staren terwijl takken tegen het dak ritselden, niet wetend dat er slecht nieuws op komst was.

Een regenachtige oktobernacht was het uiteindelijk niet. Het gebeurde op een warme avond in juli met een heldere sterrenhemel waarop het kwik nog steeds boven de twintig graden stond. Op die avond – 23 juli om 23.32 uur stipt – kreeg ik iets te zien wat ik nooit had mogen zien, gevolgd door de boodschap dat mijn dagen waren geteld.

En het was mijn eigen domme schuld. Dankzij een obsessieve zoektocht waarin ik mezelf compleet had verloren. De enige reden dat ik dit nu opschrijf, is dat ik mensen met een soortgelijke zoektocht op andere gedachten hoop te brengen. Soms heb je het niet in de gaten dat je bent verdwaald en iets zoekt wat je beter niet kunt vinden. Als je zo’n persoon bent, kun je beter van een lotgenoot horen dat het zinloos is. Je bent niet de enige en je zult vrees ik niet de laatste zijn die alles op alles zet om het te vinden. Ik heb het ook gedaan en het heeft me op zijn zachtst gezegd niet gelukkiger gemaakt.

Voordat ik het over die avond in juli ga hebben, zal ik eerst over de aanloop ernaartoe vertellen. Geen vrolijk verhaal, maar wel een verhaal dat hopelijk verklaart waarom ik aan mijn zoektocht ben begonnen.

Ik was vijfendertig, gelukkig getrouwd en de trotse vader van Emma en Hannah, twee meiden van vier en twee die net zo mooi, slim en koppig waren als hun moeder Fleur. Ik werkte als wiskundeleraar op een middelbare school en Fleur werkte op een andere school als docent Engels. We konden aardig rondkomen, maar het was geen vetpot. De werkdruk was vrij hoog op beide scholen en de klassen werden steeds groter. Vooral dat laatste vrat energie. Toch gingen we meestal met plezier naar ons werk en hadden we zelden ruzie met elkaar.

De ochtend van de dag waarop alles in elkaar stortte, was een uitzondering op de regel. Die ochtend hadden Fleur en ik ruzie. Ik kan me niet meer herinneren waar het precies over ging, volgens mij iets onbenulligs. Wat ik me wel nog kan herinneren, is dat ik de ruzie afkapte door te zeggen dat ze niet zo moest zeiken. Dat waren mijn laatste woorden voor ik vertrok. En de laatste keer dat ik Fleur en mijn dochters levend zag.

Ik was die middag bezig met het opruimen van mijn lokaal toen ik om 15.51 uur werd gebeld door de politie. Een agent vertelde me dat er een ongeluk was gebeurd bij het plaatselijke winkelcentrum. Een gebouw van vier verdiepingen, met een supermarkt waar Fleur en ik altijd onze boodschappen deden. Er waren twee doden gevallen en een zwaargewond slachtoffer.

Er viel een korte stilte aan de andere kant van lijn. Even was er niets anders te horen dan zacht geruis. Een stilte die verschrikkelijk was en die ik gebruikte om te gaan zitten. Ik was misselijk aan het worden.

De agent aan de telefoon schraapte zijn keel en vervolgde zijn verhaal. Er stond al weken een enorme steiger van twaalf meter hoog naast de ingang van het winkelcentrum. Van een bouwbedrijf dat de gevel had opgeknapt. De steiger werd die middag afgebroken en er was iets misgegaan met een steigerplatform. Een zwaar, rechthoekig onderdeel waarop men staat te werken. Die was over een reling gegleden bij het loskoppelen en langs de steiger gevallen, tien meter omlaag. Hij kwam neer bij de uitgang van het winkelcentrum, waar op dat moment net een paar bezoekers liepen: Fleur en de kinderen.

Fleur en Hannah waren op slag dood en Emma was zwaargewond naar het ziekenhuis gebracht. Het nieuws moest drie keer verteld worden, omdat ik het niet wilde geloven. Het klonk als een slechte grap. Iedere keer dat de agent geduldig en begripvol het verhaal opnieuw vertelde, voelde ik hoe mijn lijf verder verstijfde en kouder werd. Mijn lichaam besefte eerder dat het waar was dan mijn hoofd.

De uren die volgden in de wachtkamer van het ziekenhuis waren zenuwslopend. De tijd kroop voorbij en ik zweefde continu tussen hoop en vrees. Beelden van Fleur, Emma en Hannah spookten door mijn hoofd, spelend in de achtertuin en gillend van plezier. Ik kon me niet voorstellen dat ik die gezichten nooit meer levend zou zien en barstte steeds in tranen uit na ieder beeld dat opdoemde.

Om 20.02 uur kwam een uitgeputte arts met lood in de schoenen me vertellen dat Emma het niet had gered. Ze was door inwendige bloedingen overleden. Ik weet nog dat ik knikte, de arts bedankte voor wat ze hadden geprobeerd en toen ging het licht uit. Ik verloor het bewustzijn en viel als een zak aardappelen op de grond. Dat was het einde van mijn gezinsleven.

Wat ervoor in de plaats kwam, was een periode die ik zelf als troebel zou omschrijven. Voornamelijk doordat het ellendige jaren waren waarin ik me volledig op mijn werk stortte en kampte met depressies. Ik joeg iedereen weg die me probeerde te helpen. Mijn ouders, de familie van Fleur en de paar vrienden die ik had. Ik wilde geen hulp en alle contact verwaterde. Er is niets hopelozer dan een depressieve weduwnaar die niet geholpen wil worden en uiteindelijk verlies je daardoor iedereen die je nog wel hebt. Slechts een kwestie van tijd.

Werk was een toevluchtsoord geworden. Een plek waar ik niet aan Fleur, Emma en Hannah hoefde te denken. De werkdruk was nog steeds hoog en ik nam nog meer hooi op mijn vork. Naast dat ik huiswerkbegeleiding ging geven, gaf ik me ook op voor allerlei buitenschoolse activiteiten waar begeleiders voor nodig waren en ik richtte een wiskundeclub op. Die groeide gestaag en ging meedoen aan landelijke wedstrijden. Daardoor had ik in de weekenden ook vaak iets te doen.

Het werkte alleen averechts. Hoe harder ik werkte, hoe erger de stiltes waren als ik thuiskwam in een leeg huis en alleen was met mijn gedachten. Dan verschenen de beelden weer van Fleur en de kinderen. Tijdens alledaagse handelingen. Onder het koken, tijdens het klussen of terwijl ik tv probeerde te kijken.

Ik kwam die periode moeilijk in slaap, maar eenmaal vertrokken was ik compleet van de wereld en sliep ik zonder te dromen. Doordat ik uitgeput was. De duisternis slokte me simpelweg op, de volgende ochtend gingen mijn ogen open en begon het allemaal opnieuw.

Vijf jaar leefde ik op die manier en bereikte mijn échte dieptepunt. Een dieptepunt waarbij een getal mijn leven redde. Alhoewel redden achteraf gezien openstaat voor discussie. Ik twijfel er zelf soms over in ieder geval.

Getallen vond ik altijd al interessant – ik was niet voor niets docent wiskunde – maar de obsessie begon na een poging om uit het leven te stappen, vijf jaar na het ongeluk. Rond mijn veertigste verjaardag. En ik ben blij dat die poging niet gelukt is. Wanneer ik niet kan slapen en lig te piekeren, ben ik daar het meest dankbaar voor. Dat ik nog leef en niet al op die andere plek ben. In de rode wereld.

Ik had na vijf jaar besloten dat het welletjes was geweest. Dat wegvluchten in werk zou ik niet eeuwig volhouden. Het vulde de leegte niet op die was ontstaan. Alles voelde zinloos. Ik kon mezelf beter maar te pletter rijden tegen een boom. En ik wist precies welke boom dat moest zijn. Een kolossale eik die vlak langs een provinciale weg stond waar ik elke dag langsreed op weg naar mijn werk. Ik zou het gaspedaal intrappen, op de massieve eik afsturen en dan zou ik bij Fleur en de kinderen zijn. Of gewoon niet meer hier. Beide opties leken me beter dan het alternatief.

De rit over de provinciale weg zie ik nog glashelder voor me. Het was op een maandagavond en de zon was bijna verdwenen. Alleen een vage, rode lijn was nog zichtbaar aan de horizon. Het geluid van de auto hoorde ik bijna niet meer. Mijn harte klopte in mijn keel op het moment dat ik de boom in de verte zag verschijnen. Ik greep het stuur steviger vast en trapte het gaspedaal in. De wereld buiten gleed in een wazige gloed voorbij, maar sommige dingen bleven in korte flitsen scherp zichtbaar. Kilometerpaaltjes. Wilde bloemen die langs de berm groeiden. En de eik, die ineens heel dichtbij was en hoog boven de auto uittorende. De gedachte dat het snel voorbij zou zijn zorgde voor opluchting in mijn hoofd.

Dat gevoel verdween abrupt toen ik het reclamebord zag. Het was een groot bord van een investeringsmaatschappij, dat succesvolle jaren promootte waarin het bedrijf prijzen had gewonnen. Ik reed er met honderdtwintig kilometer per uur langs, maar de cijfers die ertoe deden zag ik haarscherp. Ze staan nog steeds op mijn netvlies. Het waren cijfers in een elegant en vetgedrukt lettertype en ze vormden een getal: het geboortejaar van mijn oudste dochter. Emma.

Zodra ik het getal zag – slechts een fractie van een seconde goed zichtbaar – gaf ik een ruk aan het stuur naar links en trapte op de rem. Hierdoor knalde de auto niet frontaal maar zijwaarts tegen de grote eik met gierende remmen. De passagierskant van de wagen ving de klap op, deukte in met een oorverdovend kabaal en de ruiten sprongen kapot.

Wat betreft mijn eigen lichaam viel de schade relatief gezien mee. Ik hield er een hersenschudding aan over en een gebroken been. Metalen platen houden sindsdien mijn rechteronderbeen bij elkaar. Het had erger gekund, maar dankzij airbags en mijn gordel bleef erger leed me bespaard. En ja, ik weet hoe het klinkt. Ik wilde er een eind aan maken, maar had besloten om wel mijn gordel om te doen. Te idioot voor woorden. Een automatische handeling die ik waarschijnlijk had gedaan zonder erbij na te denken. Of misschien was er iets in mij dat toch niet zo happig was om te ontdekken wat er na dit leven nog meer te beleven viel.

Het zien van het geboortejaar van mijn dochter redde mijn leven en sindsdien vielen getallen me steeds vaker op. Op straat, online, op het werk. Overal waren getallen. Dat waren ze altijd al natuurlijk, maar nu zag ik ze pas écht. Ze leken tegen me te praten. In een gecodeerde taal die ik niet snapte. Dat gevoel kreeg ik steeds sterker.

Ik raakte bezeten door getallen. Numerologie werd een obsessie. Iets wat veel mensen zweverige onzin vinden. Als je net zo wanhopig bent als ik op dat moment was, grijp je echter alles aan wat nog betekenis kan geven. Een sprankje hoop ergens aan de horizon, waar je alles voor over hebt om het te bereiken.

Uiteraard was ik in het begin ook sceptisch over numerologie. Het blijft een vorm van waarzeggerij en je kunt alle getallen die je pad kruisen opvatten als een goed teken of ze als onbelangrijk beschouwen als de boodschap je niet aanstaat. Meestal zijn de betekenissen gekoppeld aan herhalende en spiegelende getallen.

Getallen die zich herhalen zijn onschuldig. 1010, 1111, 1212, enzovoorts. Je hoeft alleen maar te googelen en je vindt een stortvloed aan betekenissen die religies en numerologie eraan hebben gegeven. De meeste betekenissen zijn geruststellend of adviserend. Wanneer je een herhalend getal als tijdstip vaak op een klok ziet, kom je betekenissen tegen als: er waakt iemand over je, verlies niet de hoop en blijf zo doorgaan. Opbeurende slogans die je zo op een tegeltje kunt schilderen en aan een muur kunt hangen.

Spiegelende getallen zijn een ander verhaal. 1001, 1221, 1441… Dat soort getallen. Deze cijferreeksen trokken mijn aandacht en zag ik steeds vaker. Door de eeuwen heen kregen deze getallen ook allerlei betekenissen toebedeeld, maar één betekenis keert steeds terug. Je moet goed zoeken, maar wie grondig zijn huiswerk doet, ontdekt wat ze gemeen hebben: ze worden beschouwd als tijdstippen waarop je kunt communiceren. Momenten waarop de grenzen tussen onze wereld en wat ons hierna staat te wachten flinterdun zijn.

Dat brengt ons op een punt in het verhaal waarop de nuchtere lezer wellicht zal afhaken en wat volgt zal afdoen als krankzinnige hersenspinsels van een gebroken man, die na het verlies van zijn vrouw en dochters wanhopig op zoek was naar zingeving en contact. En dat snap ik. Ik weet hoe het overkomt, maar het is geen gefantaseerde versie van de realiteit. Was het dat maar. Iedereen komt er vroeg of laat achter dat het de waarheid is. Als je geluk hebt, zal dat pas laat zijn. Maar ik schrijf dit niet om sceptici te overtuigen. Zoals ik eerder heb gezegd schrijf ik het voor hen die ook zoekende zijn en dreigen te verdrinken. Je kunt nog terug. Ik zal je vertellen wat je ziet als doorzwemt, zodat jij dat niet hoeft te doen. Doe dat alsjeblieft niet.

Spiegelende getallen en grenzen tussen werelden. Daar was ik gebleven. In literatuur over numerologie ontdekte ik een patroon. Het had met communicatie te maken. Het was meestal eenrichtingsverkeer: een geruststellende boodschap of een vriendelijke waarschuwing om op je gezondheid te letten, en daar moest je genoegen mee nemen. Dat deed ik niet. Ik raakte ervan overtuigd dat er een manier was om er tweerichtingsverkeer van te maken. Dat er contact mogelijk was tussen deze wereld en de andere, wat dat ook mocht zijn voor plek.

De getallen die ik het duidelijkst als pogingen tot communicatie opvatte, waren 1551 en 2002. Getallen die eerder al de revue passeerden. 15.51 uur was het tijdstip van het telefoontje van de politie over het ongeluk. En 20.02 uur het tijdstip waarop de uitgeputte arts het nieuws vertelde dat Emma was overleden. Spiegelende getallen. 1551 kwam symbool te staan voor Fleur en Hannah, 2002 voor Emma. De getallen verschenen regelmatig op onverwachte momenten en ik beschouwde het als pogingen van mijn overleden vrouw en dochters om met me te praten. Dat ze mij weer wilden zien, om waardig afscheid te nemen.

Honderden pogingen deed ik om in contact te komen. Van het opdreunen van cijferreeksen die ik met wiskundige formules had berekend tot vage rituelen die ik op een bepaald tijdstip moest uitvoeren. Het was allemaal complex en vergezocht, maar dat zag ik toen niet. Ik besefte wel dat ik was vastgelopen en hulp nodig had. Niet van iemand die me op andere gedachten kon brengen, maar van iemand die het klappen van de zweep kende: een ervaren numeroloog.

Stad en land reisde ik af om met iemand in contact te komen. Ik wist er tien te benaderen, op basis van een lijst die ik zorgvuldig had samengesteld. De eerste negen waren geen succes. Twee ervan waren oplichters die snel geld wilden verdienen aan goedgelovige zieltjes. De anderen waren tot een bepaalde hoogte begaafd als numeroloog, maar men haakte af op het moment dat ik begon over mijn doel. De tiende keer was het wel raak. Eliza Reinhardt vertelde me wat ik moest weten. Na een discussie en met tegenzin. Ze vertelde me ook niet alles, maar genoeg.

Het leek zinloos dat ik na negen keer opnieuw een poging waagde, maar iets in mij wist dat Eliza degene was die ik moest hebben. Rond die tijd was er iets met het getal tien waarop ik steeds terugkwam met mijn gedachten. En Eliza had de twijfelachtige eer om nummer tien te zijn op mijn lijst.

Eliza woonde in het zuiden van Nederland en gaf workshops aan mensen die meer over zichzelf wilden weten via numerologie. In het kader daarvan had ik een afspraak gemaakt voor een individuele sessie en die ging soepel van start. Eliza was zestig, maar zag er een stuk jonger uit. Ze was scherpzinnig en voelde haarfijn aan dat mijn sessie niet een doorsnee uitwisseling van kennis zou worden.

Halverwege de sessie onthulde ik de ware reden van mijn bezoek. Eliza was niet verbaasd en liet me mijn verhaal vertellen terwijl we aan de thee zaten. Gaandeweg besefte Eliza wat ik echt wilde en werd steeds afstandelijker. Ik had natuurlijk al negen numerologen versleten en ik wist wat er zou volgen.

Twee soorten reacties waren mogelijk. Of ze maakte me compleet belachelijk, zeggende dat het onmogelijk was en ik niets begreep van numerologie. Of ze werd bang en stuurde me weg. Eliza koos voor optie twee. Ik hoorde haar mond nog net niet op slot gaan nadat ze mij de deur wees.

Ik liet me echter niet afwimpelen en sprak opnieuw over de noodzaak om mijn vrouw en dochters weer te zien. Een fatsoenlijk afscheid wilde ik, waarbij ik zeker wist dat ze op een betere plek waren. Ik voelde dat Eliza iets achterhield wat me kon helpen en sprak dat ook uit. Als zij het niet wilde vertellen, zou ik verder op zoek gaan naar iemand die het wel wilde. Die zou ik vroeg of laat tegen het lijf lopen, maar ik had het gevoel dat zij belangrijk was als tiende persoon op mijn lijst.

Bij het horen dat ze de tiende was verstijfde Eliza. Na een kort moment van twijfel leidde ze me terug de woonkamer in en we namen weer plaats in de zithoek. Mijn voorgevoel bleek te kloppen en ik kreeg te horen wat ze achterhield.

Eliza vertelde dat lang geleden een oom van haar krankzinnig was geworden door het getal tien. Een man genaamd Onno Reinhardt. Onno had zijn vrouw verloren aan kanker en begon aan een zoektocht om met haar in contact te komen. Hij wilde niet geholpen worden door familieleden die hem op andere gedachten probeerden te brengen. Tot zover kwam het verhaal me akelig bekend voor.

Na tien jaar van afwezigheid dook Onno plotseling weer op, compleet vermagerd en verward. Hij raaskalde over een rode wereld. Een gruwelijke wereld die onmetelijk groot was en die iedereen te wachten stond. Geen hel en ook geen hemel, maar iets dat ouder en échter was.

Bepaalde tijdstippen vormden de sleutel tot deze rode wereld. Tijdstippen waarvan de cijfers bij elkaar opgeteld het getal tien vormden. Onno had de tijdstippen ook een naam gegeven. Een naam die achteraf gezien voor de hand lag.

Eliza viel stil tijdens haar verhaal en keek in gedachten verzonken voor zich uit. Ik vroeg haar hoe Onno de tijdstippen noemde, maar er kwam geen antwoord. Eliza keek me zwijgend aan en leek niet verder te willen praten. Ik wilde mijn vraag net herhalen toen ze alsnog antwoordde.

‘Spiegeltijd,’ zei ze. ‘Niet alleen omdat de cijfers gespiegeld staan, maar ook omdat het momenten zijn waarop beide werelden op de juiste positie staan. Recht tegenover elkaar, in verschillende dimensies. Alleen dan staan de werelden open voor elkaar. Denk aan het praten via blikjes met een touwtje ertussen. Dat werkt alleen als het touw op spanning staat, anders hoor je niets. Op gewone tijdstippen hangt die lijn tussen de werelden slap, maar op spiegelende tijdstippen staat de lijn strakgespannen.’

Eliza praatte daarna verder op een beknopte en zakelijke toon. Ze vond het moeilijk om het over haar oom te hebben. Iemand die altijd vrolijk met haar speelde toen ze jong was, maar onherkenbaar was teruggekeerd, net na haar twintigste verjaardag.

Onno bleek niet meer voor rede vatbaar, wat Eliza’s familie ook probeerde om hem tot rust te brengen. Voor zijn eigen veiligheid werd Onno opgenomen in een inrichting en stierf een jaar later in zijn kamer op een gesloten afdeling. Het was voor zover bekend een natuurlijke dood. Vlak voor hij overleed had een nachtwaker hem nog iets horen roepen: dat hij niet naar de rode wereld wilde. Het tijdstip noteerde de nachtwaker later in een verslag. Het was gebeurd om 23.32 uur.

Alles viel op zijn plaats zodra ik het tijdstip hoorde. Het getal lichtte op in mijn hoofd als een pulserend neonbord. 2332 was het getal waar het om draaide. Waar het altijd al om was gegaan.

Eliza zag dat mijn gezicht veranderde en smeekte me te stoppen waar ik mee bezig was. Hoe moeilijk het ook was en hoeveel pijn het verlies van mijn gezin ook deed. Als de rest van de wereld een manier had gevonden om met rouw om te gaan, moest ik dat ook zien te doen. Op mijn eigen manier. Ik moest haar beloven om alles te laten rusten.

Gezien het duidelijk was dat Eliza me niet zou laten gaan zonder dat ik het haar beloofde, deed ik waar ze om vroeg. Maar we wisten allebei wel beter. Er viel niets meer te zeggen na die leugen. In stilte dronken we onze thee op en daarna vertrok ik. Toen ik het huis verliet hoorde ik de deur achter me op slot gaan. Die dag zou de voordeur van Eliza’s woning niet meer worden geopend. Voor niemand.    

Met het getal dat de sleutel vormde keerde ik huiswaarts. Ik voelde me opgewekt en hoopvol. Het einde van een jarenlange zoektocht naderde. Fleur en mijn dochters waren dichtbij. Ik hoefde alleen maar de juiste cijfers uit te spreken.

Een ritueel vormde zich in mijn hoofd tijdens de rit naar huis. Een ritueel dat goed aanvoelde. Perfect zelfs. De cijfers moesten uitgesproken worden om 23.32 uur stipt. De laatste Spiegeltijd van de dag. En niet als één getal maar als vier losse cijfers. Twee, drie, drie, twee. Cijfers die bij elkaar opgeteld Onno’s getal vormden: tien. Precies het aantal keer dat ik de cijferreeks hardop moest uitspreken. Een ritueel dat tien avonden achter elkaar moest plaatsvinden. Tien keer tien. Met absolute zekerheid wist ik dat het zou slagen.

Het ritueel voerde ik die avond nog voor het eerst uit in de woonkamer, na een kleine interieurverbouwing. Het bankstel en de bijzettafel in de woonkamer had ik luidruchtig verplaatst en gedraaid richting de schuifpui, die uitzicht bood op de achtertuin. Voor de bank zette ik de bijzettafel neer en plaatste daarop een digitale klok en een ingelijste foto van Fleur en de kinderen.

Om nieuwsgierige buren hoefde ik me gelukkig geen zorgen te maken. Het huis dat ik lang geleden samen met Fleur had gekocht was een kleine en vrijstaande woning aan de rand van een bosrijke omgeving, met een diepe achtertuin die omringd was door een hoge heg.

De eerste negen avonden ging het ritueel me gemakkelijk af. Geduldig wachtte ik steeds tot het 23.32 uur werd en sprak precies op dat tijdstip tien keer de cijferreeks uit terwijl ik naar de digitale klok en de ingelijste foto keek. Zonder te aarzelen en zonder angst. Iedere avond deed ik het met meer overtuiging. Ik voelde een lichte tinteling in mijn vingertoppen na ieder ritueel en beschouwde het als een teken dat de verbindingslijn tussen de werelden strakgespannen stond.   

Twijfel sloeg onverwacht toe op de tiende en laatste avond: de bewuste 23 juli. Overdag was het bloedheet geweest en het was nog steeds broeierig. Ik was heel de dag al onrustig en dat werd alleen maar erger in de avond. Ik twijfelde of ik moest doorgaan. Of het zin had. Natuurlijk had ik in het verleden ook weleens getwijfeld, maar nooit zo sterk als op die avond. Ik had jaren van depressies achter de rug en misschien was er iets geknapt in mijn hoofd en was ik doorgedraaid. Net als Onno. Die was echt gek geworden en hadden ze opgesloten in een inrichting.

Aan de andere kant moest ik het weten. Nu stoppen was een teken van zwakte en ik zou er waarschijnlijk altijd van spijt van hebben. De kans om Fleur en de kinderen weer te zien moest ik niet op het laatste moment door mijn vingers laten glippen. De gedachte aan mijn gezin nam alle twijfel weg. Net op tijd.

Om 23.30 uur slaagde ik erin om mezelf te vermannen en ik wachtte gespannen op de overgang naar de Spiegeltijd. Zodra het laatste cijfer op de klok veranderde in een twee dreunde ik het riedeltje weer op als een mantra. Luid en vastberaden galmde het door de woonkamer.

‘Twee, drie, drie, twee… Twee, drie, drie, twee…’

Iedere keer dat ik de cijfers herhaalde, voelde ik dat er ergens iemand ontwaakte. Iemand die ver weg was, maar me alle dagen had gehoord, in een sluimerende staat, en nu klaarwakker was.

Na het voltooien van het ritueel sloot ik mijn ogen. Ik stelde me voor dat Fleur degene was die me had gehoord en samen met de kinderen was ontwaakt. Ze waren onderweg. Een gigantische afstand overbruggend in slechts enkele seconden. Zodra ik mijn ogen opende, zouden ze in de woonkamer staan en zouden we elkaar in de armen vliegen. Ik haalde diep adem en telde af van tien tot nul in mijn hoofd.

Vol verwachting opende ik mijn ogen en ik trof een woonkamer aan die net zo leeg was als altijd. Mijn hartslag ging als een gek tekeer en mijn ogen schoten alle kanten op. Wanhopig op zoek naar iemand die was verschenen. Iemand of iets. Een teken. Wat dan ook. Ik voelde me ongelooflijk dom terwijl ik daar op de bank rondkeek en het besef indaalde dat er niets was gebeurd. Had ik echt gedacht dat het opdreunen van wat cijfers mijn dode vrouw en dochters weer tevoorschijn zou brengen?

Iets wat Eliza had gezegd schoot door mijn hoofd. Dat de hele wereld had leren omgaan met rouw en dat ik mijn manier moest vinden om hetzelfde te doen. Het kwam ineens binnen als een mokerslag. Nog nooit had ik me zo eenzaam gevoeld en mijn gezin zo gemist als op dat moment.

Ik had gerouwd na het ongeluk, maar ik had me daarna snel op mijn werk gestort. Het rouwproces had ik geprobeerd te onderdrukken, maar het was nooit gestopt. Het overrompelde me nu en ik liet het gebeuren. Alles was beter dan de akelige stilte die in de woonkamer hing. Dus huilde ik. Ik jankte zoals ik nog nooit eerder had gedaan.

Uitgeput ging ik weer overeind op de bank zitten nadat het voorbij was. Mijn hoofd voelde zwaar aan en mijn slapen bonsden. Ik veegde tranen en snot van mijn gezicht. In stilte staarde ik voor me uit en ik zag mijn spiegelbeeld in de schuifpui tegenover me. Ik had de laatste jaren een hekel aan mijn spiegelbeeld en keurde het vaak geen blik waardig, maar gezien er niemand was verschenen, besloot ik om mezelf maar eens te bekijken. Van top tot teen.

Ik zag een gebroken man van vierenveertig op een bank zitten. Verslagen en vermagerd. Zijn kleding – die ooit prima paste – was twee maten te groot geworden en hing flodderig om zijn lijf. Hij had een vlassige baard, een ingevallen gezicht en diepe wallen onder zijn ogen. Ogen die het licht van de woonkamer reflecteerden en een zwakke, rode gloed uitstraalden.

Een zoemend geluid trok mijn aandacht terwijl ik naar mezelf keek. Ik kon het eerst niet thuisbrengen, maar ik ontdekte dat het de digitale klok op tafel was. Er kwam een elektrisch en knetterend gezoem vanaf. De cijfers gaven aan dat het nog steeds 23.32 uur was.

Ik fronste, wreef in mijn ogen en keek nogmaals om er zeker van te zijn. Het stond er echt: 23.32 uur. Iets wat onmogelijk was. Voor mijn gevoel had ik minstens een uur zitten janken op de bank. Ik haalde mijn telefoon uit mijn broekzak en die gaf hetzelfde tijdstip aan. Verbaasd stopte ik het toestel weer weg en staarde naar mijn spiegelbeeld in de schuifpui.

Het drong toen pas door dat mijn ogen een vreemde, rode gloed hadden in de reflectie. Het klopte niet, want het licht in de woonkamer was geliger. Warmer. Ik leunde naar voren vanuit de bank en kneep mijn ogen iets dichter om het beter te zien. De ogen met de rode gloed bewogen niet mee. Er ging onmiddellijk een koortsige schokgolf door mijn lijf: ik was niet langer alleen.

Langzaam stond ik op en bleef roerloos staan. De ogen buiten bleven waar ze waren: op mij gericht. Ik was zowel bang als opgewonden en voelde adrenaline door mijn lijf gieren. Ergens in mijn achterhoofd hoopte ik nog steeds dat het Fleur was die buiten in de tuin stond.

Ik fatsoeneerde mezelf, liep aarzelend richting de schuifpui en legde mijn hand op de deurklink. Na een diepe ademhaling schoof ik de pui wagenwijd open. En ik was niet voorbereid op de schok die ik kreeg zodra ik zag wat er in de tuin stond.

Het was zowel gruwelijk als prachtig tegelijk. Een vleesgeworden nachtmerrie. Het was geen demonisch wezen of engelachtige verschijning, maar ergens leek het wel op een combinatie van die twee. Met een lengte van bijna drie meter torende het hoog boven me uit. Het was grijs gekleurd met donkerrode accenten en het had felrode ogen waar een gloed vanaf kwam. Het leken net twee robijnen die glansden in het lichtschijnsel van het huis.

De bouw van het wezen was bizar en had iets hypnotiserends. Het had een slank en vrouwelijk postuur, maar het stond in een vreemde, open stand. De spieren en pezen – die ook de grijskleurige huid vormden – stonden uitgewaaierd op de botstructuur. Alles had slechts één aanhechtingspunt. Wanneer het bewoog, kwamen de spieren en pezen bij elkaar en sloot alles zich volledig aan op de botten, die donkerrood waren. In rust stond alles overeind, over elkaar heen en traag golvend in de lucht. De spieren en pezen bewogen vertraagd, alsof ze moeite hadden met de atmosfeer. Net zoals wij ons langzamer bewegen in water door de weerstand.

Ik ontwaakte uit een staat van verwondering en afgrijzen toen het wezen op me afstapte. De neiging om achteruit te deinzen wist ik te onderdrukken. Het was te laat om te vluchten en ik was al voor genoeg dingen weggelopen in mijn leven. Ik bleef staan en bereidde me voor op een klauw die me vast zou grijpen.

In plaats van een klauw voelde ik alleen een zwakke verplaatsing van lucht terwijl het wezen langs me heen liep. Het bukte, betrad de woonkamer en liep naar de bijzettafel. Het pakte de ingelijste foto van Fleur en de kinderen. Aandachtig bekeek het de foto, keek op naar mij en liep weer terug. Tegenover me hield het wezen halt en keek me aan met ogen die alles leken te weten.

‘Wie ben jij?’ vroeg ik aarzelend.

Een stem drong mijn hoofd binnen. Een vrouwelijke stem die zocht naar de juiste taal. Ze herhaalde een naam en titel. Het begon in een oude taal uit een andere wereld en veranderde plotseling.

Sari… Poortwachter van het Eeuwige Rood.

Ik huiverde bij het horen van wat ze was. Mijn ogen gingen over haar vreemde lichaam en bleven hangen bij de schaduw die ze wierp op het gras.

Het wezen, Sari, volgde mijn blik en haar stem klonk opnieuw.

Die schaduw is echt. Net als ik.

Betrapt gingen mijn ogen weer omhoog en ik ontmoette haar blik. Er viel een stilte terwijl we elkaar aanstaarden. Ik dacht weer aan Fleur en mijn dochters. Sari pikte de gedachte op en stelde een vraag. Een laatste poging om me op andere gedachten te brengen.

Weet je zeker dat je het wilt weten?

In alle eerlijkheid wist ik niet wat ik hierop moest zeggen, maar het antwoord dat ik gaf was de waarheid.

‘Ik weet niet meer of ik het wil,’ zei ik, ‘maar ik moet ik het weten.’

De ogen van Sari vernauwden zich.

Het zal gevolgen hebben voor je.

Ik keek in Sari’s rode ogen, zag mijn reflectie daarin en herhaalde wat ik al had gezegd. ‘Ik moet het weten.’

Sari sloeg haar ogen neer en zuchtte. Het klonk bijna menselijk.

Zoals je wilt.

Een windvlaag stak op uit het niets en Sari stapte opzij. Achter haar was een scheur in de wereld ontstaan. Een rafelige strook van drie meter hoog waarin een ander landschap zichtbaar was. Een rode wereld. De wereld die Onno Reinhardt ook had gezien en hem gek had gemaakt.

De scheur werd groter en een sissend geluid vulde mijn oren. Het groeide uit tot een vreselijk kabaal. Er ging een schokgolf door me heen en ik voelde mijn nekharen overeind komen. Ik bedekte mijn oren, kneep mijn ogen dicht en schreeuwde het uit.

Abrupt hield het geruis op en de pijn verdween. Ik trilde over mijn hele lichaam en merkte dat ik moeite had met ademhalen. Het lukte, maar het voelde anders. Zwaarder. Ik opende mijn ogen en ik werd overrompeld door de plek waar ik me bevond.

Het was een wereld die volledig rood was. Niet dezelfde kleur rood, maar alle tinten. Van donkerrood tot felrood. Het landschap zelf was een eindeloze oppervlakte die continu bewoog. Een oppervlakte die door de kleur en de structuur iets weghad van rauw vlees wanneer je het onder een vergrootglas zag. De wereld had meerdere niveaus, waardoor het leek of je naar een enorme dwarsdoorsnede keek. Er waren overal vreemde en transparante levensvormen te zien. Ze leken door de verschillende niveaus heen te zakken. Sommige levensvormen verdwenen langzaam, andere kwamen tevoorschijn uit het niets.

Ik voelde me duizelig en misselijk, en ik was blij dat ik niet alleen was. Sari stond naast me en wees naar iets. Naar één van de levensvormen die ik overal zag.

Wezens die leken op dieren uit de dieptes van de oceaan. Ze waren doorzichtig, met een transparant membraan aan de buitenkant en lichtgevende slierten aan de binnenkant. Het silhouet van de levensvormen was op een vage manier nog deels menselijk.

We liepen richting een wezen dat twintig meter verderop stond. Net zo zielloos als de rest. Een transparante zombie zonder gezicht.

Sari wees opnieuw naar de levensvorm en sprak een naam uit in mijn hoofd. Een naam die ik niet wilde horen.

Fleur.

Mijn ademhaling stopte even. Vol ongeloof keek ik naar de levensvorm. De gedachte dat dit wezen Fleur was deed me huiveren. Ik schoot vol en keek naar Sari.

‘Nee,’ zei ik hoofdschuddend met een trillende stem. ‘Dat kan niet. Dit is niet Fleur…’

Het doorzichtige wezen reageerde niet op mij. Er was geen herkenning en geen enkele vorm van emotie. Ik had net zo goed lucht kunnen zijn. En dat was wederzijds. Ik herkende niets in de levensvorm die ik tegenover me zag staan.

‘Niet Fleur,’ herhaalde ik zacht, maar met minder overtuiging.

Twee kleine vormen maakten zich ondertussen los van de grotere vorm. Ze gingen aan weerszijden staan en waren net zo zielloos. Ik keek opzij en zag dat Sari naar me keek. Ze hoefde niet te zeggen wie de kleinere vormen waren en ik besefte dat het echt was. Dit was de grote hereniging waarop ik had gehoopt en het was verschrikkelijk.

Terwijl ik naar de vormen keek, merkte ik dat ze alle drie kleiner werden. Ze zakten langzaam weg in de vlezige grond, die hen opslurpte. Het was angstaanjagend om te zien hoe ze als makke schapen hun lot accepteerden en zich niet verzetten. De reden waarom ze dat niet deden kwam bijna direct in me op.

Omdat het constant gebeurt, dacht ik.

Mijn hart brak opnieuw. Ik riep de namen van mijn vrouw en dochters en wilde naar ze toe rennen, maar de rode wereld had andere plannen. Er klonk een oorverdovend gekrijs en ik bevroor. Het geschreeuw kwam uit duizenden kelen tegelijk, van alle kanten. De oppervlakte sidderde onder mijn voeten. Geen aardbeving, maar een reeks golvende en organische bewegingen. De wereld lééfde. Zodra ik dat besefte, kon ik niet meer ophouden met schreeuwen.

Warme vingers grepen mijn schouders vast en trokken me terug, de wereld van de levenden in. De overgang ging opnieuw gepaard met een knetterend gesis dat overal pijn deed. Een kosmische variant op statische ruis die door mijn complete lijf raasde. Zodra ik weer in mijn tuin stond, hield de pijn op en verdween het geruis. Uitgeput zakte ik op de grond.

Sari richtte haar hand op de opening tussen de werelden en de rafelige scheur sloot zichzelf weer. De uiteindes zochten elkaar op en smolten samen. De rode wereld verdween. Alsof hij er nooit echt was geweest.

Huilend en misselijk lag ik op de grond. Ik voelde me verloren. Jaren van mijn leven had ik verspild aan iets wat ik nooit had mogen zien. Proestend krabbelde ik overeind. Mijn maag protesteerde onmiddellijk en ik gaf over. Een zure en bittere nasmaak bleef achter in mijn mond en keel. Als intense spijt een smaak zou hebben, was het precies dat: een ranzige combinatie van gal en etensresten die deels waren verteerd.

Alles wat ik had gezien tolde door mijn hoofd, maar ik was niet gek geworden. Ook al was ik doodsbang en overdonderd, het lukte nog om na te denken en ik probeerde onder woorden te brengen wat me het meest beangstigde.

‘Die dingen,’ zei ik tegen Sari, ‘die zielen of wat het ook zijn… Ze worden opgegeten. Steeds opnieuw. Die wereld leeft van… Ze zijn…’

Ik viel stil en Sari sprak uit wat ik niet hardop durfde te zeggen.

Voedsel voor de kosmos. Energie voor het Eeuwige Rood.

Ik voelde een rilling over mijn rug gaan en iets wat mijn dochter altijd zei schoot door mijn hoofd.

‘Nam nams,’ zei ik. ‘Zo noemde Emma haar favoriete snoepjes.’

 Toen werd het zwart voor mijn ogen.

Met een barstende hoofdpijn kwam ik weer bij bewustzijn. Ik zat in de woonkamer op de bank. Sari was er ook nog. Ze zat tegenover me in kleermakerszit op de grond, aan de andere kant van de bijzettafel. Het was vreemd en surrealistisch om haar in de woonkamer te zien. Een deel van haar lichaam stond weer in de open stand. De spieren en pezen golfden traag door de lucht, dansende schaduwen werpend op de muren. Ze boog zich naar voren zodra ze zag dat ik weer bij was gekomen.

We waren nog niet uitgepraat.

Ik dacht aan Sari’s woorden voor ze de rode wereld liet zien.

Het zal gevolgen voor je hebben, had ze gezegd.

Sari legde een hand naast de digitale klok op tafel, die nog steeds aangaf dat het 23.32 uur was en een knetterend gezoem liet horen.

Tijd om een keuze te maken.

Ik staarde van de klok naar Sari. ‘Wat voor keuze?’

De keuze tussen twee en drie. De cijfers die je hebt gebruikt.

Ik voelde de aandrang om meer vragen stellen, maar het cijfer drie lichtte op in mijn hoofd. Het cijfer dat het meest pijn deed. Om meerdere redenen.

‘Ik kies drie,’ hoorde ik mezelf zeggen met een vlakke stem.

Sari knikte en haalde haar hand van tafel. Op hetzelfde moment stopte de klok met het irritante gezoem. Uit mijn ooghoek zag ik dat het tijdstip versprong: het veranderde in 23.33 uur.

Langzaam kwam Sari overeind. Ze moest bukken om in de woonkamer te kunnen staan en keek op me neer.

Wij zien elkaar weer over drie jaar.

Sari zag dat ik wit wegtrok en bracht haar gezicht op mijn ooghoogte. De spieren rondom haar ogen en mond bewogen subtiel en vormden een uitdrukking die medelijden uitstraalde.

De gevolgen hadden erger kunnen zijn. Het Eeuwige Rood houdt niet van nieuwsgierige ogen en eist de energie van de levenden die het aanschouwen. Soms direct. In jouw geval heb ik onderhandeld. Het Eeuwige Rood zal alsnog eerder dan gebruikelijk beschikken over jouw energie, maar niet onmiddellijk.

‘Waarom heb je het voor me opgenomen?’ vroeg ik.

De ogen van Sari gloeiden subtiel op, iets feller wordend.

Omdat jij vanaf nu niet meer je tijd zult verspillen. Voortaan laat je de cijfers rusten. Je weet nu dat cijfers meer zijn dan de getallen die ze vormen. Ze resoneren door alle werelden als je ze uitspreekt. De frequentie waarop is bij ieder mens uniek. Dankzij je stembanden, je energie en een oneindig aantal andere factoren.

‘Maar ik heb hetzelfde gaan als Onno Reinhardt. Hij heeft–’

Sari’s stem kapte me abrupt af.

Dat heb je niet. Het getal tien heeft jullie op een andere manier geholpen. Je hebt je eigen ritueel bedacht en dat werkt alleen voor jou.

Ergens in mijn hoofd voelde ik opluchting. Het stelde me gerust dat mijn ritueel niet voor iedereen werkte. Anders had ik ook nooit alle details gedeeld. Wellicht dat avontuurlijke lezers het al hebben uitgeprobeerd. Die zullen teleurgesteld zijn.

Met een hoofd vol vragen liep ik achter Sari aan de tuin in. Ze stond op het punt om te gaan en ik wilde niet dat ze vertrok.  Vanwege de vragen en omdat ik vooral ook niet alleen wilde zijn. De buitenlucht zorgde gelukkig voor helderheid. De onrust in mijn hoofd zakte langzaam weg. Slechts één vraag bleef over.

‘Voelen we iets van wat er in die wereld gebeurt?’ vroeg ik.

Sari keek me aan en hield haar hoofd schuin.

Voelen doen jullie hier. Dat verdwijnt, net als herinneringen aan het leven.

Ik dacht weer aan Fleur, die onherkenbaar was geworden. Daar zou ik nachtmerries van gaan krijgen. Sari hoorde de gedachte.

Je zult inderdaad nachtmerries krijgen. Die zullen minder hevig worden naarmate de tijd verstrijkt. Wat je overdag gaat doen helpt je daarbij. Gebruik je tijd nuttig.

‘Met wat?’

Met iets wat je niet echt hebt gedaan de laatste jaren.

Sari draaide zich om en liep weg, verder de tuin in. Vlak voor ze in het donker verdween, wierp ze een blik over haar schouder. Een laatste boodschap klonk in mijn hoofd.

Ga leven.

Dat gebeurde allemaal drie jaar geleden. De avond waarop ik een gruwelijke waarheid zag en hoorde dat mijn dagen waren geteld. Een avond die veel mensen krankzinnig zou hebben gemaakt.

Vreemd genoeg gebeurde bij mij het tegenovergestelde. Ik deed wat Sari adviseerde: ik leefde. En ik bloeide op. Een vreemd soort berusting was over me heen gekomen. Ik kon niet veranderen wat me te wachten stond, maar ik kon wel bepalen hoe ik mijn resterende tijd invulde en daar heb ik zoveel mogelijk van geprobeerd te genieten. Dat ging de ene dag beter dan de andere.

De afgelopen drie jaar heb ik geprobeerd om het leven te leiden dat ik eigenlijk had moeten leiden nadat ik mijn gezin verloor. Ik zocht weer contact met mijn ouders en de ouders van Fleur en ik ben blij dat het in beide gevallen lukte om zaken uit te praten en een nieuwe band te krijgen.

Over de nachtmerries had Sari gelijk. Ik heb ze soms nog. Dromen over de rode wereld waarin wij voedsel zijn. Waar we worden geconsumeerd, uitgescheten en opnieuw worden geconsumeerd. Een eindeloze en verschrikkelijke cyclus.

Wat ik over het Eeuwige Rood heb verteld doet geen recht aan wat ik heb gezien, maar ik wil het niet uitgebreider opschrijven. De bovenstaande alinea vat goed samen wat het voor plek is. Ik gun het niemand om daar eerder dan nodig mee geconfronteerd te worden. Dat gebeurt uiteindelijk toch, maar hopelijk pas na een lang en gelukkig leven. Voor zover dat laatste mogelijk is.

Net als drie jaar geleden is het ook nu weer een warme avond. Een avond waarop je tegen beter weten in hoopt dat het verder afkoelt. Nog even en het is 23.32 uur. De laatste Spiegeltijd van de dag. 

Ik ben blij dat ik de afgelopen dagen heb kunnen opschrijven wat ik wilde vertellen. Als je dit leest, ga ik ervan uit dat je ook dingen hebt meegemaakt. Ik snap het verdriet en de pijn die je misschien ook voelt, maar ik hoop dat je afziet van wat ik heb gedaan. Je zult niet iets vinden wat je gelukkig maakt, alleen een wereld die je liever niet had ontdekt.

Een schrale troost is dat het iedereen te wachten staat en dat we er waarschijnlijk niet veel van zullen merken. Die gedachte helpt mij in ieder geval de nacht door als ik onrustig ben.

Terugkijkend op de laatste jaren kan ik zeggen dat ik ondanks alles wat ik weet een vrij mooie tijd achter de rug heb. En een melancholische. Soms moet ik huilen om kleine, alledaagse dingen die me raken. Uit het niets. Dat is mijn omgeving ook opgevallen en ik word regelmatig een sentimentele, oude zak genoemd. Op een goede manier. En ze hebben gelijk. Het vat samen hoe ik deze laatste periode heb geleefd en ervaren.

Voordat ik mijn pen neerleg, gaat deze sentimentele, oude zak je nog een laatste advies geven. En dat gaat mierzoet klinken, maar ik zeg het toch: verlies je niet in mensen die er niet meer zijn. Geniet van wat je hebt en wie er nog wel zijn. Dat klinkt als een cliché – weer iets om op een tegeltje te schrijven en aan een muur te hangen – maar dat maakt het niet minder waar.

© Jan van Gorkum (2021)

ACHTERGRONDINFORMATIE

Spiegeltijd is een kosmisch horrorverhaal dat ik heb geschreven voor de Harland Awards 2021. Een populaire schrijfwedstrijd voor fantastische verhalen – science fiction, fantasy en horror – die wordt georganiseerd door Hebban.nl en Stichting Fantastisch Genre. Uit 190 inzendingen eindigde het verhaal op de tweede plaats van de wedstrijd. Het verhaal werd samen met de rest van de top 5 gepubliceerd in een e-book.

Het e-book kun je gratis downloaden als lid van Hebban.nl door op de onderstaande afbeelding te klikken.